Toets Gesproken Nederlands (TGN)
Wat is de TGN?

De TGN is een mondeling examen. U hoeft niet te lezen of schrijven. U moet luisteren en spreken. De TGN meet hoe goed u Nederlands verstaat en spreekt. U krijgt 4 soorten opdrachten:

  • Zinnen herhalen
  • Korte antwoorden geven op vragen
  • Tegenstellingen noemen
  • Verhalen navertellen.
De TGN duurt ongeveer 15 minuten.
Hoe maakt u de TGN?

U maakt de TGN bij DUO in een geluidsdichte ruimte. U maakt de TGN via een telefoon. 
De telefoon staat in verbinding met een sprekende computer. U hoort de vragen van de computer via een hoofdtelefoon. U moet spreken in een microfoon die aan de hoofdtelefoon vastzit. Spreek luid en duidelijk. Het is belangrijk dat de computer uw stem goed hoort. Houd de microfoon goed voor uw mond.
U kunt de computer geen vragen stellen. Hebt u een vraag? Stel uw vraag dan voor de toets begint. Daarna kunt u geen vragen meer stellen. De computer beoordeelt uw antwoorden automatisch.

 

Filmpje TGN

Wilt u meer weten over de Toets Gesproken Nederlands? Bekijk dan het filmpje.

Opbouw TGN

Hieronder ziet u hoe de TGN is opgebouwd.

Opbouw TGN
OnderdeelSoort opgaveAantal opgaven
AZinnen herhalen12
BKorte antwoorden geven op vragen14
CZinnen herhalen12
DTegenstellingen noemen10
EVerhalen navertelllen2

Onderdeel A: Zinnen herhalen
U hoort steeds een zin. U zegt daarna precies dezelfde zin.

Bijvoorbeeld:
U hoort: ‘Dat is een mooi verhaal’.
U zegt: ‘Dat is een mooi verhaal’.

Zeg alle woorden die u hoort. Probeer de woorden ook hetzelfde uit te spreken.

 

Onderdeel B: Korte antwoorden geven op vragen
U hoort nu steeds een korte vraag.
U geeft op elke vraag een kort antwoord.

Bijvoorbeeld:
U hoort: ‘Als je thee zet, gebruik je dan heet water of gebruik je koud water?’
U zegt: ‘Heet water’. Of u zegt: ‘Heet’.

Of u hoort: ‘Een auto, heeft die twee wielen of vier wielen?’
U zegt: ‘Vier wielen’. Of u zegt: ‘Vier’.

 

Onderdeel C: Zinnen herhalen
Dit is hetzelfde als onderdeel A. U hoort weer steeds een zin. Dit zijn andere zinnen dan bij onderdeel A. Zeg de zinnen weer precies na.

Bijvoorbeeld:
U hoort: ‘Hoe gaat het met uw broer?’
U zegt: ‘Hoe gaat het met uw broer?’

Zeg alle woorden die u hoort. Probeer de woorden ook hetzelfde uit te spreken.

 

Onderdeel D: Tegenstellingen noemen
U hoort nu steeds een woord. U zegt het tegenovergestelde van dat woord.

Bijvoorbeeld:
U hoort: ‘Hoog’.
U zegt: ‘Laag’.

Of u hoort: ‘Niet’.
U zegt: ‘Wel’.

 

Onderdeel E: Verhalen navertellen
U hoort een kort verhaal. Luister goed. Na het verhaal moet u het verhaal zelf vertellen. U krijgt daarvoor 30 seconden. Vertel zoveel mogelijk.

Bijvoorbeeld:
Over wie ging het verhaal?
Wat gebeurde er?
Waar was dat?
Wat was het einde?

U hoort daarna nog een ander verhaal. Dat verhaal moet u ook zelf vertellen.

Score

De TGN meet hoe goed u Nederlands kunt. U kunt tussen de 10 en 80 punten scoren. U moet minimaal 37 punten halen om te slagen. U hebt dan niveau A2. Wilt u oefenen met de TGN klik dan hier.